Pesten

en de wijsheid van kinderen

Pesten 

en de wijsheid van kinderen.      

Een pestsituatie in groep 6. Twee jongens van 10 jaar. Het gaat al niet lekker tussen hun vanaf groep 3. Maar nu loopt het de spuigaten uit. Beide jongens willen regelmatig niet naar school, klagen over buikpijn, hun school- en

Afbeelding met persoon, binnen, zitten, jongen

Automatisch gegenereerde beschrijving

sport-prestaties dalen. De ouders trekken wanhopig aan de bel bij school. “Doe iets! Dit kán zo niet langer!” Beide ouders zien hun kind als slachtoffer en het scheelt niet veel of de ouders gaan elkaar te lijf.

Het ene jongetje reageert met huilen of vluchten. Hij heeft niet veel vriendjes. Het andere jongetje reageert met ‘boeit-me-niks’ gedrag en heeft een zwerm vriendjes om zich heen. 

Doemt uit deze schets al een ‘dader’ en ‘slachtoffer’ op? Een ‘sterke’ en een ‘zwakke’? Betrappen we onszelf al op de neiging om het jongetje dat huilt en vlucht te beschermen en het jongetje dat onaangedaan lijkt te berispen? Het zou me niet verbazen. Dit is onze eerste impuls en ik zie het vaak gebeuren. 

School zit met de handen in het haar. Wát ze ook doen, het verbetert niet. Hóe moeten ze met deze situatie omgaan?  

Maar doen de termen ‘dader’ en ‘slachtoffer’ recht aan de complexiteit van de situatie? Of je iemand als ‘dader’ of ‘slachtoffer’ ziet, hangt vaak erg af van het moment dat je in de situatie betrokken raakt. 

Iemand die zich slachtoffer voelt, kan op een ander moment dader zijn (geweest) en iemand die als dader wordt gezien kan zich net zo goed slachtoffer voelen. Vaak voelen beiden zich slachtoffer. De definitie van ‘slachtoffer’ zou kunnen zijn “De ervaring dat je niet bij machte bent om invloed uit te oefenen op de situatie”. 

Toen we met bovengenoemde jongens uit groep zes in een herstelcirkel aan de gang gingen, verwoorde één van hen het zo:  

 “Het lijkt soms wel of je op afstand bestuurd wordt door een robot” 

Het werd duidelijk hoe ze werden geleefd door het beeld dat inmiddels iedereen had dat zij vijanden van elkaar waren. Ze zaten daarin vast. Het was alsof ze geen mogelijkheid meer hadden om zich anders te gedragen. 

“Je lichaam doet al dingen voordat je het weet” 

Doordat we in de herstelcirkel wegblijven van dader en slachtoffer denken en zonder oordeel met de jongens in gesprek gaan en hen laten vertellen hoe het met hen gaat – eerst aan ons en later aan elkaar – ontstond de ruimte om aan elkaar te laten zien hoe ze eronder leden. De ‘stoere’ net zo goed als de ‘kwetsbare’. Ze hoorden van elkaar dat ze allebei buikpijn hadden, dat ze allebei niet meer naar school wilden, dat ze allebei geen plezier meer hadden. 

Én dat ze het allebei eigenlijk wel heel graag anders wilden. 

Samen bedachten ze wat ze anders gingen doen. Samen dachten ze na hoe ze konden voelen dat het ‘de verkeerde kant op ging’. 

Samen dachten ze na over mogelijke situaties die tot uitbarsting zouden kunnen leiden en wat ze dan zouden doen in zo’n geval. Samen bedachten ze welke ondersteuning van de juf en meester ze daarbij nodig hadden en aan wie ze zouden vertellen wat ze hadden afgesproken. In ieder geval aan de klas!

Wij hadden het voorrecht getuige van te mogen zijn van hun proces. De uitgangspunten van herstelcirkels: luisteren zonder oordeel, steeds checken of je de ander goed begrijpt, geloven in de kracht van de kinderen zelf, hebben dit mede mogelijk gemaakt. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *