Hoe hou je het leuk thuis?

Het wordt inmiddels afgezaagd om te zeggen dat het ongewone tijden zijn. Deze tijden waarin kinderen thuis onderwijs volgen en ouders thuis werken. Maar dat we eraan wennen, betekent niet persé dat het makkelijker wordt.

We zitten met zijn allen dichter op elkaars lip dan we gewoon zijn. Dat kan irritaties en ergernissen oproepen. Dat is normaal en menselijk.
We hoeven ze niet te ontkennen of weg te poetsen. Daardoor verdwijnen ze niet , ze worden eerder groter. Maar hoe zorgen we nou dat deze irritaties niet de overhand krijgen?
Dát kan door niet te wachten tot het zover is. Dat kan door ons vóór te bereiden.

Als mediators weten we maar al te goed dat conflicten erger worden doordat mensen er te lang niets mee doen. Niet omdat ze het prima vinden, maar omdat het ongemakkelijk is en men niet weet wat men zou kúnnen doen. Daarom is het zo belangrijk om daar van tevoren over na te denken, in alle rust.
Áls er zich dan iets voordoet, is het zoveel makkelijker om te handelen. En hoe eerder je reageert op iets wat niet lekker loopt, hoe meer kans om een manier te vinden om er met de situatie om te gaan, die voor iedereen werkt.

Voorbereiden dus. Hoe doe je dat dan?

Hieronder beschrijven we een manier waarop dat kan. Voor elk gezin, voor elke groep mensen die noodgedwongen dichter op elkaar zit en minder mogelijkheden heeft dan normaal om er even uit te gaan. Eigenlijk een hele eenvoudige en tegelijk heel doeltreffende manier.

Ga met zijn allen bij elkaar zitten (1,5 meter afstand! Skype, Zoom of Team kan ook) en denk na over de drie vragen hieronder. Bespreek ze één voor één en noteer de uitkomsten.

  1. Wat doen jullie eigenlijk al als jullie ruzie (irritatie, conflict etc.) hebben, wat goed werkt?
  2. Wat doen jullie wat niet goed werkt?
  3. Wat is jullie ideaal, jullie droom; hoe zouden jullie willen dat het werkt?

Bekijk de antwoorden en probeer daarmee jullie eigen ‘draaiboek’ te maken voor het omgaan met irritaties (ruzies, conflicten etc.).  Gebeurt er iets wat dwars zit, emoties oproept? Volg dan heel eenvoudig het draaiboek.

Onze ervaring is dat er een paar onderdelen zijn die eigenlijk altijd terugkomen in de antwoorden op de hierboven genoemde ‘drie vragen’. Dat zijn: Jezelf mogen uiten; gehoord worden; verantwoordelijkheid nemen; afspreken hoe verder.
Dit kan ook weer aan de hand van drie vragen:

  1. wat wil je aan de ander laten weten (over hoe het nu met je is n.a.v. wat er is gebeurd. (Jezelf uiten en gehoord worden)[1]
  2. wat maakte dat je deed wat je deed (verantwoordelijkheid nemen)
  3. wat willen jullie dat er nu gebeurt? (afspraken).

Een tijdje nadat de afspraken gemaakt zijn, navragen hoe het nú met iedereen is. Hebben de afspraken gewerkt? In de zin dat ze hebben bijgedragen aan het welzijn van iedereen? Als dat zo is, is dat reden om te vieren!
Werkte het nog niet zoals gehoopt? Dan zijn er misschien kleine aanpassingen nodig, of andere afspraken. En soms blijkt dat er weer iets is gebeurd en kan dat weer worden besproken met de drie vragen (set 2).

In het begin is het misschien raar of onwennig. Of voelt het overdreven. Maar als je het een paar keer doet, wordt het steeds gewoner en ook steeds makkelijker. En gaat het minder tijd kosten, omdat iedereen weet waarom het gaat en hóe het gaat.

Hieronder een klein voorbeeld van hoe het zou kunnen gaan met kleine kinderen.

Kampeertrip (Uit ‘microkringen’ van Elaine Shpunging)

 Myrthe: “Mama! Ik mag niet meedoen met Bas en Tim!”

Ik: “Bas, wil je svp even hier komen? Dank je. Myrthe, wat wil je jouw broer laten weten?”
Myrthe: “Ik wil met jullie spelen!!”
Ik: “Bas, wat hoor je jouw zuster zeggen?”
Bas, rollend met z’n ogen, zijn stem klinkt boos, “Ze wil met ons spelen. Maar…”

Ik interrumpeer zacht, : “Wacht even, een minuutje maar. Myrthe, is dat het? Is dat wat je je broer wilt laten weten?”
Myrthe: “Ja!”  [hiermee is de eerste ronde afgerond – nu gaan we naar het ander kind]

Ik: “Ok, Bas, wat wil je jouw zus laten weten?”
Bas: “Ik wil niet dat ze NU met ons speelt. Ik wil wat alleen zijn. Niet alleen zijn, maar Tim en ik hebben nog geen kans gehad zelf te kunnen spelen de hele dag. Ik wil eventjes met hem zijn.”

Ik: “Myrthe, wat hoor je jouw broer zeggen?”
Myrthe, klinkt wat chagrijnig en ongelukkig: “Hij wil privacy. Hij wil met Tim alleen spelen.”

Ik: “Bas, is dat het?
Bas: “Ja.”  [Hiermee is de tweede ronde afgerond – nu gaan we naar het eerste kind]

Ik: “Myrthe, is er nog iets anders wat je jouw broer wilt laten weten?”
Myrthe: “Nee.”

Ik: “Bas, is er nog iets anders wat je Myrthe wilt laten weten?”
Bas: “Nee.” [hiermee is wederzijds begrip afgerond. Nu het actieplan.]

Ik: “Ok, Dank je. Nu, heeft iemand een idee over hoe we deze zaak kunnen oplossen?”
Myrthe: “NEE.”
Bas: “Nou, ze kan wel met ons meedoen als ze maar geen vragen stelt. Over het spel of wat we verder aan het doen zijn.”

Ik, verbaasd, want zo voel ik me meestal in deze fase: “Myrthe, je broer zegt dat het ok om met hem en Tim te spelen als je geen vragen stelt over het spel. Is dat een oplossing voor je?”
Myrthe, klinkt nogal tevreden: “Ja.”

Ik: “Ok prima. Dank je wel jongens.”

De 3 kinderen speelden daarna meer dan een uur succesvol samen. Bas meldde later dat het “ok” is gegaan en dat Myrthe alleen een klein vraagje heeft gesteld.

[1] Om het uiten en gehoord worden te ondersteunen helpt de volgende dialoogvorm
1. één persoon spreek een ander aan
2. de ander geeft de essentie terug wat hij/zij hoort en begrijpt
3. de eerste spreker bevestigt of dat is wat hij/zij bedoelde over te brengen, of verbetert en vult aan. Dan geeft de ander weer terug, totdat de spreker aangeeft dat -voor dat moment- door hem/haar voldoende is geuit en door de ander is begrepen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *